Hulpverleners in oorlogsgebied

Geplet tussen doodsangst en dadendrang

Ze werden doodgeschoten toen ze op de terugweg van een missie waren. Dat is het wrede lot dat onlangs tien hulpverleners in Afghanistan trof. En dat collega-hulpverleners brutaal een spiegel voorhield, want in oorlogsgebied is niemand veilig.

'Ik heb meteen een paar mailtjes naar kennissen in Afghanistan verstuurd om te weten of er onder de slachtoffers bekenden waren. Ik denk het niet: zij werkten vanuit Kaboel, ik zat in het noorden. Maar ik ken hun organisatie wel, IAM.. Echte professionals, die al tientallen jaren uitstekend werk doen. Het is vreselijk. Echt verschrikkelijk.'

Dertien jaar ervaring in Afghanistan heeft de kinesist Paul Hendrickx (50), maar de wrede moord op tien hulpverleners vorig weekend maakt hem even sprakeloos. En brengt brutaal de stress naar boven die hij voelde toen hij zelf voor het Rode Kruis in Afghanistan zat, ook al is hij intussen vier maanden terug en probeert hij wat afstand te nemen.

'In je achterhoofd zit een mechanisme dat je constant alert houdt: goed om je heen kijken, niemand vertrouwen, altijd op je hoede zijn. Het stressniveau in Afghanistan ligt bijzonder hoog en dat voelde ik vooral als ik het vliegtuig op stapte om even vakantie te nemen. Zodra ik neerzat, viel die stress als een blok van me af. Zeker vóór 2001, toen Afghanistan de wereld nog niet interesseerde, was de situatie chaotisch. Maar ook nu blijft het gevaarlijk, vooral in Kaboel, waar de vermoorde hulpverleners hun basis hadden.'

Spanning die je soms onverhoeds weer overvalt, ook Stefan Van der Mussele (28) kent het gevoel. Van der Mussele trok als verpleegkundige vier keer met Artsen Zonder Grenzen op missie: de eerste keer in 2004, naar Darfour, toen hij amper 23 was; de laatste keer vorig jaar naar Pakistan - een missie die nog altijd in zijn kleren zit. 'Wat me echt uit mijn lood kan slaan, is vuurwerk of het plotse geluid van helikopters. Omdat ze me aan de artillerie en gevechten in Pakistan herinneren. Na elke missie heb ik voor mezelf een psychologische muur gebouwd: dat was daar, dit is hier - hier ga ik me amuseren en normaal doen. Maar stoorzenders als vuurwerk halen die muur plots neer. En dan voel ik weer die enorme alertheid die daar levensnoodzakelijk was, maar die me hier volledig in de war brengt.'

Afweging

Het is de tol die elke hulpverlener in risicogebied betaalt, maar die kandidaten zelden tegenhoudt. Omdat ze idealistisch zijn? Dadendrang hebben? Of gewoon omdat het avonturiers zijn? 'Noem ons alstublieft geen helden', zegt Frans De Weer (70), chirurg en stichter van de organisatie Artsen Zonder Vakantie. 'Natuurlijk willen we de wereld een beetje beter maken, maar ik zou het woord "idealist" niet op mijn schild durven te schrijven. En noem ons ook geen avonturiers. Natuurlijk willen we een stuk van de wereld zien, anders waren we wel onder onze kerktoren gebleven, maar we zoeken de oorlog niet, we komen erin terecht.'

Zijn belangrijkste drijfveer is veel prozaïscher, zegt De Weer, die medisch personeel de kans geeft om tijdens vakanties in Afrika te werken en die zelf al 52 missies deed, voornamelijk naar Oost-Congo en Rwanda. 'Ik doe dit omdat het een professionele uitdaging is. In Afrika kan ik mijn kennis pas echt in de praktijk brengen. Daar zie ik situaties en gevallen waarmee ik in België nooit word geconfronteerd.' 'Wie aan ontwikkelingshulp doet, wil niet alleen mensen helpen', zegt ook Paul Hendrickx. 'Je doet het zeker ook voor vijftig procent voor je persoonlijke ontwikkeling. Toen ik vertrok, wist ik nauwelijks iets van management, maar ik mocht wel het revalidatiecentrum van het Rode Kruis in Noord-Afghanistan leiden. Ik heb er alle mogelijke orthopedische problemen behandeld die ik tijdens mijn studies ooit heb gezien. En ik heb er mijn kennis kunnen doorgeven aan lokale hulpverleners. Welke kinesist in België krijgt zoveel kansen?'

Toch blijft het voor elke hulpverlener altijd weer een afweging: wat laat ik achter, wat zet ik op het spel? Hendrickx is single en heeft geen kinderen, Van der Mussele leerde zijn vriendin pas ná Pakistan kennen, De Weer had wel een gezin toen hij voor het eerst vertrok. 'Ze hebben me altijd gesteund, anders was ik er nooit aan begonnen. En met Artsen Zonder Vakantie vermijden we risico's. Het gevaar zit wel eens dichterbij dan we denken, maar we zien het zelden.'

Ontvoeringen

Heel anders was dat voor Stefan Van der Mussele in Pakistan, waar het gevaar van achter elke hoek of deur kon komen. Toen hij in 2009 vertrok, waren vier lokale medewerkers van Artsen Zonder Grenzen ontvoerd; twee maanden later werden er twee vermoord. 'Constant was er de dreiging van ontvoeringen en aanslagen, zeker op westers personeel. Dus moesten we anoniem werken, in lange Pakistaanse gewaden - ik liet zelfs, voor mijn veiligheid, een baard staan om er als een local uit te zien. Ik hield ook altijd kleren aan om te slapen, voor het geval ik ontvoerd zou worden. En als we op tocht gingen, deden we dat altijd met twee wagens, om het risico te spreiden.'

Zelfs in de kleinste dingen liet het gevaar zich zien, zegt Van der Mussele, geniepig, als een ergerlijke treiteraar. In de stickers waarmee de vensters van hun huis werden afgeplakt, om hen bij een aanslag tegen glasscherven te beschermen. In de knopjes van de autodeuren, die altijd naar beneden moesten. In de oordopjes die Van der Mussele droeg om 's nachts de artillerie minder te horen.

'Kleine afspraken of maatregelen waren het, maar wel voortdurend confrontaties met de realiteit. Collega's hadden het daar soms lastig mee, dan deden ze sarcastisch over de veiligheid of namen ze het niet zo nauw meer met de regels. Het gevaar benoemen is het erkennen, en dat is lastig. Weten dat er elk moment iets kan gebeuren, geeft je haast meer stress dan dat er echt iets gebeurt. Voortdurend een doelwit zijn, het is om gek van te worden. Ik heb, voor ik op een tocht vertrok, meer dan eens gedacht: moet ik nu mijn ouders en familie nog eens bellen, misschien zie ik hen nooit meer terug?'

Toch vond Van der Mussele manieren om met die angst om te gaan. Strategieën haast, al was hij zich daar toen nauwelijks van bewust. Hij ziet ze nu pas, als hij erop terugkijkt. 'Ik herinner me nog goed mijn eerste missie, in Darfour. Plots kwam ik in een wereld terecht waar militairen én burgers openlijk wapens droegen, waar er werd geschoten, waar mensen stierven. En de lokale bevolking vond dat normaal, die zette in die chaos gewoon haar leven voort. Dus heb ik hun normen en waarden overgenomen, om te overleven, en dat is me goed gelukt.'

'Ik probeerde ook altijd goedendag te zeggen, ook tegen soldaten: dan zag ik de mens, niet de wapens. En ik leerde op elke missie snel de plaatselijke taal. Als kinderen me "blanke" noemden, zei ik: "neen, ik ben Stefan", en op de duur kenden ze me. Een collega heeft me zelfs verteld dat, toen hij twee jaar later in een dorp in Darfour arriveerde, de kinderen er nog altijd "Stefan" riepen.'

Elf september

'Schrik is iets wat je jezelf aandoet', vindt Paul Hendrickx. 'Het Rode Kruis doet er alles aan om risico's zo goed mogelijk in te schatten, het gevaar is - al bij al - beperkt. Natuurlijk zijn er onverwachte situaties, maar als het moet, reageer je vaak veel rationeler dan verwacht. Neem nu 11 september: ik was die dag verantwoordelijk voor de regio Noord-Afghanistan. Mijn chef was er niet, dus ik moest alles coördineren: iedereen in veiligheid brengen, alle buitenlanders zo snel mogelijk op het vliegtuig krijgen. Dat was vreselijk heftig en hectisch - ik was de allerlaatste buitenlander die uit de regio is vertrokken - maar de impact ervan heb ik pas veel later beseft. Toen deed ik alleen wat ik moest doen.'

Ook met de dreiging van zelfmoordaanslagen leerde Hendrickx om te gaan. 'Soms speelde dat sterk door mijn hoofd, andere periodes minder. Als er een aanslag was gebeurd, werden de veiligheidsvoorschriften strenger en moesten we soms enkele dagen binnenblijven. Ik wist dat het Rode Kruis de toestand goed analyseerde en ik stond er wel eens bij stil, maar het is in Afghanistan nooit zo erg geweest als in Irak: daar zou ik me echt niet op mijn gemak hebben gevoeld. In Afghanistan heb ik er nooit van wakker gelegen, slapen is er geen probleem geweest.'

Toch geeft Hendrickx toe dat elke hulpverlener situaties kent waarin emoties wel de bovenhand nemen, waarin het hart het wint van het verstand. Daar is niets mis mee, vindt hij, een hulpverlener mag niet ongevoelig worden voor leed. Alleen mag het je niet verhinderen je job te doen.

'Ik herinner me een man die samen met zijn broer vanuit de bergen naar ons revalidatiecentrum was gekomen. Hij had lepra, was uitgeteerd door infecties, had geen vingers, geen tenen, haast geen ogen meer. Niemand wou hem nog verzorgen en langer dan een week zou hij niet meer leven, maar omdat we zijn leed wilden verzachten, namen we hem toch in ons centrum op. Ik zie hem nog altijd zitten: een man die nauwelijks door één oog kon kijken, een vogel voor de kat. Maar toen ik mezelf voorstelde: "Ik ben Paul, hoe gaat het?", antwoordde hij: "Hoe gaat het met ú?" Doodziek, straatarm, maar hij wou weten hoe het met míj was. Toen ben ik toch even naar buiten moeten gaan.'

Bron: GVA