Ik bel moeder en zeg : ik leef

Hoe voelt het als je stad wordt getroffen? Journaliste Valeria Barahona woont en werkt in Concepcion, de zwaarst getroffen stad bij de aardbeving in Chili. Ze was op reportage in de hoofdstad Santiago toen ze letterlijk uit haar bed werd gelicht. Ze probeert nu met haar familie en vrienden te communiceren en weer thuis te geraken.

Het is 3 uur 's morgens op een doodgewone zaterdag. De stad slaapt als een onschuldig kind. Ik ben nog wakker, want ik heb net een tekst doorgestuurd en ik ben mijn geld aan het tellen om te zien of ik terug raak in Concepcion. De trein is een mogelijkheid.

De reis is goedkoop en het uitzicht is prachtig: kilometers wijngaarden, de prachtige brug over de Claro-rivier, eeuwenoude adobehuisjes onderweg.

Plots vallen boeken en borden van het schap. Potten en pannen maken een hels lawaai in een spektakel dat amper 90 seconden duurt. Dit is de trailer van een griezelfilm. Een half uur lig ik onder mijn bed en roep om genade.

Om 3.40 uur 's morgens loop ik samen met verschillende buren door het puin naar het Bustamante-park, de enige open plek waar je eventueel kan slapen, als je daar al in slaagt met de voortdurende naschokken en niet aflatende angst. Het lijkt wel dag. Veel mensen zitten onder de bomen, het verkeer is in volle spits, maar de elektriciteit en de telefoon zijn uitgevallen. Niemand weet juist wat er gebeurt, een kleine mp3-speler houdt ons wakker.

‘8,8 graden op de schaal van Richter', aldus Radio Cooperativa, een van de weinige radio's die nog in de ether zijn. De klok tikt door en de koepel van de kerk van de Heilige Voorzienigheid – 156 jaar oud – ligt dwars over een van Santiago's grote avenues. Mensen lopen richtingloos rond en proberen hun geliefden te bereiken met hun gsm's, tevergeefs. Er is geen signaal.

Om 6 uur 's morgens groet Chili de opkomende zon en krijgen we het nieuws dat er zeker 50 doden zijn, maar niemand weet goed wat er is gebeurd in mijn geboortestad Concepcion, dicht bij het epicentrum van de aardbeving. Bij het ochtendgloren zien we de eerste families die alles kwijt zijn en op straat kamperen, ingezakte gebouwen, gesloten supermarkten, lange files voor de benzinestations. Al heeft het weinig zin om de tank vol te gieten, want je kunt nergens naartoe rijden. Wegen en spoorwegen zijn afgesneden, bruggen en luchthavens in puin.

Ik ben al vier uur bezig hetzelfde nummer te draaien en krijg steeds hetzelfde muziekje van Telefonica, dat aankondigt dat mijn moeder niet te bereiken is. Mijn wanhoop neemt toe, tot er plots een mirakel plaatsvindt: ik krijg mijn moeder 50 seconden aan de lijn en door de storingen heen kunnen we mekaar twee vitale woorden doorspelen: ‘Ik leef.'

‘Kom je huis niet uit, tenzij voor het strikt noodzakelijke. Voor vandaag blijft de metro alvast gesloten en er zijn bijna geen bussen op straat', aldus Radio Cooperativa.

In Concepcion is er iets niet pluis. We hebben er al zeven uur naschokken op zitten, sommige zijn zwaarder dan 6 op de schaal van Richter. En nu pas sijpelt de eerste informatie door.

Het provinciegebouw, amper vier jaar oud, is in mekaar gezakt. De faculteit scheikunde van de universiteit van Concepcion staat in brand. Met bibberende handen ga ik aan het klavier zitten om verbinding te krijgen met het internet.

Bij de New York Times weten ze blijkbaar meer over Chili dan bij ons en zie ik de eerste foto's van een beschadigd land, dat wereldwijd de voorpagina's haalt. De eerste tekstberichten komen binnen op mijn gsm en iedereen vraagt me hoe Concepcion eraan toe is. Als ik maar iets van het thuisfront zou weten... De lucht wordt steeds moeilijker in te ademen door de branden in de fabrieken van Santiago, de lucht hangt vol fijn stof.

Ik heb honger en er is geen drinkwater meer te krijgen in de supermarkt. De rijen voor de bakker om een kilo brood te kopen zijn eindeloos. De prijzen schieten omhoog. We zitten vast tussen ineenstortingen, vermisten en woekeraars. Ik doe er meer dan een uur over om vruchtensap, brood en fruit te kopen, terwijl ik een lichtje zie in de duisternis: ik kan communiceren met de rest van mijn familie in Concepcion.

Iedereen is blijkbaar oké, maar rondom zien ze vuurhaarden en de straat is een slagveld waar eeuwenoude, pas gebouwde en nog in aanbouw zijnde gebouwen tegen de vlakte zijn gegaan. De verslaggevers van de nationale televisie lopen door de straten van Concepcion. Ik probeer gebouwen te herkennen en daarmee de verdwenen vrienden waar ik nog niets van gehoord heb.

Sinds het begin van deze horrorfilm heb ik nog geen oog dicht gedaan en nog aan niets anders gedacht. Via de media krijgen we geen nieuws over hoe lang de voedselbevoorrading op zich zal laten wachten. Zij die kunnen, slaan overdreven voorraden in en laten daardoor anderen met honger achter.

Ik heb ondertussen al twintig naschokken gevoeld. Alles wordt erger. Het dodental en het aantal vermisten stijgt. Ik hoor nu dat mijn weekendhuisje in puin ligt. In Concepcion zijn er geen kranten en radio's meer. Ik ben blij dat ik dit artikel kan schrijven en dat het gepubliceerd wordt.

Bron:Het Nieuwsblad